Over Graham

De Grahamtechniek

De Grahamtechniek is een van de belangrijkste moderne danstechnieken. Veel dansers en choreografen passen deze techniek toe naast hun gebruikelijke stijl. Kenmerkend voor de door Martha Graham ontwikkelde techniek is de oorsprong van de beweging diep onder in de buik, de zogenaamde  ‘contraction and release’: samentrekken en loslaten. Bij ‘contraction’, op een uitademing, worden spieren vanuit diep in het bekken, in de buik en verdergaand in de borst samengetrokken, gevolgd door ‘release’, loslating, waarbij op een inademing alle spieren weer worden rechtgezet.

Martha Graham omschreef ‘contraction’ als ‘an enfoldment and a shock’ en ‘a spasm of percussive force’. Door de afwisseling van ‘contraction’ en ‘release’ krijgt de dans een dramatisch en zwiepend karakter, alsof de danser door heftige innerlijke impulsen wordt voortgedreven. Graham zag ‘contraction and release’ als een weergave van emoties in lichaamsvormen: de schreeuw, de lach, het smeken.

Typerende bewegingen zijn het vallen, rollen en het draaien van spiralen om de as van de ruggengraat. De dans is aards van karakter, wat wordt benadrukt door het dansen op blote voeten en veel grondoefeningen. De Grahamtechniek kent een uitgewerkt en systematisch curriculum, een reeks vastgelegde oefeningen in een vastgelegd patroon, ontwikkeld vanuit het ‘contraction and release’-principe.

Over Martha Graham

Martha Graham (1894-1991), danseres, choreografe en pedagoge, is de grondlegster van de Grahamtechniek. Zij was een leerlinge van Ruth St Denis en Ted Shawn. In 1926 debuteerde ze als soliste in New York City en richtte ze haar Martha Graham Dance Company op waarmee ze tournees maakte door Amerika en later ook Europa. De eerste Company bestond alleen uit vrouwen, later kwamen daar ook enkele mannen bij.

Grahams dansstukken, waarvan de belangrijkste voor of in de Tweede Wereldoorlog werden gemaakt, zijn geïnspireerd door mythologische of religieuze onderwerpen en weerspiegelen de psychologische theorieën van Freud (seksuele conflicten) en Jung (collectief onderbewuste). De hoofdpersoon is meestal een tragische heldin: Medea, Elektra, Judith. Ook gebruikte ze inheemse Indiaanse dansen. Haar belangrijkste stukken zijn Lamentation (1930), Appalachian Spring (1944) en Night Journey (1947).